Beeld2

Een lijdensweg van 30 dagen

Photo credit: Ed Wray

Het verhaal van Marsuni

Marsuni wil dolgraag in Saoedie-Arabië werken. De succesverhalen van mensen uit haar dorp, en het feit dat zij van kleins af aan ieder dubbeltje moet omdraaien, zorgen ervoor dat ze vastberaden is om te gaan.

“Ik wilde niet langer in een gammel huis wonen …ik wilde goed en genoeg eten hebben...”

Eenvoudige dromen.

Ze is pas 19 jaar als ze haar ouders vertelt over haar plannen. Het valt te raden dat haar ouders het haar ten strengste verbieden! Dat is niet zo raar, van de 4 (vier) kinderen die zij hebben gehad, is alleen Marsuni nog over. De anderen zijn allemaal overleden. Hun eerste en tweede kind overlijden na een ziekte. Marsuni is hun derde kind. Het jongste kind overlijdt nog vóór de geboorte. De in 1985 geboren vrouw is het enige dat haar ouders nog hebben. Andere bezittingen hebben zij niet. Hun huis is gemaakt van bamboe. Vroeger hadden ze een sawah maar die hebben ze moeten verpanden om in hun dagelijkse levensbehoeften te kunnen voorzien. Het is logisch dat ze Marsuni’s plannen afkeuren. Helemaal omdat ze haar te jong vinden om duizenden kilometers ver weg in een vreemd land te gaan werken.

Maar Marsuni gaat niet bij de pakken neer zitten. Ze ziet geen andere manier om een beter leven te krijgen dan door gastarbeider te worden. Ze heeft alleen lagere school. Er is niet veel ander werk waar ze uit kan kiezen. Om haar ouders’ toestemming te krijgen, gaat ze naar een dukun (sv. traditioneel genezer). Deze oude dukun geeft haar een ‘middeltje’ in de vorm van suikerklontjes die ze in het drinken van haar ouders moet doen. Marsuni gehoorzaamt en doet alles wat de dukun haar opdraagt. Op een avond, wanneer ze opnieuw toestemming vraagt om gastarbeider in Saudi Arabië te worden, gebruikt ze de ‘magische suikerklontjes’. Het mislukt, ze stemmen nog steeds niet toe. Ze geeft niet op en blijft het middeltje van de dukun gebruiken in de thee en koffie van haar ouders. Na een tijdje vraagt ze het haar ouders opnieuw. En weer zeggen ze nee. Pas de derde keer krijgt ze toestemming van haar vader en moeder.

“Pas op de vijftiende dag had het tovermiddel effect. Mijn ouders gaven me toestemming om naar Saudi te gaan.”

Het eerste probleem is opgelost, het volgende probleem is het lenen van geld. In Marsuni’s dorp is het niet zo moeilijk om een tussenpersoon te vinden die gastarbeiders helpt om in Saoedi-Arabië aan de slag te gaan. Deze tussenpersonen reizen overal rond met hun succesverhalen. Eén van hen, Abdel uit het dorp Kalisat belooft Marsuni’s vertrek te zullen regelen. De kosten bedragen 1,25 miljoen rupiah (circa 84 euro). Gelukkig is de buurman bereid haar drie miljoen rupiah (circa 200 euro) te lenen. Dit moet genoeg zijn om de tussenpersoon te betalen. De rest is voor transport en eten en drinken tijdens het verblijf in Jakarta.

Voordat ze naar Saoedi-Arabië vertrekt, woont Marsuni drie maanden in een opvanghuis in Condet in het oosten van Jakarta. Daar krijgt zij een aantal trainingen voor huishoudelijk werk: wassen, strijken, schoonmaken en leert een aantal belangrijke woorden in het Arabisch zoals brood, aardappel, water en verschillend keukengerei. Ze krijgt ook een arbeidsovereenkomst voor twee jaar onder haar neus geduwd waarin de naam van haar baas, een adres en haar taken staan vermeld. Dat is alles. Er staat geen nummer voor noodgevallen in, of aanwijzingen om zich te kunnen redden als er iets gebeurt..

In Saoedi-Arabië wordt Marsuni geplaatst bij een gezin in Jizan, ongeveer één uur vliegen vanaf Jeddah. In Jizan staat haar baas al te wachten als ze het vliegtuig uitstapt. Niet lang daarna zitten ze in de auto, onderweg naar het huis van haar baas. Ze zwijgt. Ze durft haar baas, die achter het stuur zit, niet één keer aan te kijken. “Een vriendin van mij heeft gezegd dat als je je baas aankijkt, hij je kan verkrachten. Ik was bang.”

Het huis waar ze werkt ligt midden in de woestijn. Er staan maar enkele andere huizen in de buurt. Daar woont haar baas met zijn vrouw en hun zoontjes van 2, 4 en 6 jaar oud. Er is geen tijd om te rusten, ondanks de jetlag. Eenmaal aangekomen, moet Marsuni direct aan het werk.

Ondanks de taalbarrière, leert Marsuni snel. Ze heeft wel problemen als haar baas haar opdraagt iets te pakken en ze de verkeerde dingen haalt omdat ze hem niet begrepen heeft. Koken is niet zo’n probleem omdat ze de eerste dag meteen wordt geïnstrueerd door haar bazin. De tweede dag kan ze het al zelf. Waar ze de eerste dagen behoorlijk van geshockeerd is, is het gedrag van de kinderen. Ze zijn niet alleen ontzettend stout, maar kunnen ondanks hun jonge leeftijd schelden als de besten. Op een dag, als ze net gedweild heeft, klimt de jongen van vier op de kast. In een reflex roept Marsuni “Niet doen.” In plaats dat hij luistert, noemt de jongen haar ‘hond’.

Later komt ze erachter dat scheldwoorden als ‘hond’ of onbeschoft gedrag tegen de huishoudelijke hulp in dit huis als normaal worden gezien. Ook haar bazin behandelt haar niet met respect en op een menswaardige manier. Marsuni, die op een flinterdun matras op de grond slaapt wordt steevast gewekt met een schop van haar bazin. Ze wordt ook niet bij haar naam genoemd.

“Ik werd niet gewekt met ‘Marsuni, opstaan …’, maar ze schopte tegen me aan en schreeuwde ‘Opstaan…opstaan ….’”

Elke dag werkt ze van 6 uur ‘s ochtends tot 12 uur ‘s avonds. Pas na middernacht kan ze rusten. Haar bazin heeft als regel dat ze niet mag slapen voordat alle kinderen slapen. Marsuni wordt als slavin behandeld. Communiceren met haar familie in het dorp is haar onmogelijk gemaakt omdat ze geen mobiele telefoon mocht meenemen naar Saoedi-Arabië. Ze kan alleen met haar ouders praten als ze de telefoon van haar bazin mag lenen. Haar bazin trekt Marsuni ook vaak aan haar hoofddoek als ze vindt dat ze niet snel genoeg luistert. Of ze krijgt een klap als haar bazin haar dom vindt.

Ze mag niet aan tafel eten of op een stoel zitten. Haar plaats in huis is helemaal onderaan: op de grond. En dus eet en slaapt ze op de grond, in de keuken. Televisie kijken is niet toegestaan. Laat staan praten met mensen buiten het gezin. De enige kans voor Marsuni om in de buitenlucht te komen is wanneer zij het afval buiten moet zetten. Maar zelfs daar heeft ze weinig tijd voor: alles moet snel gebeuren. Bij het douchen, kan ze soms alleen maar wat water over zich heen gieten, zonder zeep. Vaak staat haar bazin al voor de deur te schreeuwen omdat ze al bijna vijf minuten in de badkamer is.

Mijn vriendinnen hadden me in Jakarta al gewaarschuwd. Niet treuzelen, anders krijg je ruzie met je baas.

Marsuni’s gezondheid gaat iedere dag achteruit. Helemaal nadat de jongste zoon haar een keer op haar linkerhand heeft geslagen met een scherp keukenmes. Ze bloedt weliswaar niet dood, maar door de verwonding wordt haar lichamelijke conditie steeds slechter.

Op een dag, om precies te zijn in de tweede week dat ze er werkt, begint Marsuni zoals gewoonlijk de dag met opruimen en ontbijt maken voor haar baas, bazin en de kinderen.

“Ik herinner me nog dat ik melk aan het inschenken was…maar daarna werd alles donker.”

Ze valt flauw. Marsuni is na 14 dagen volledig uitgeteld. Als ze wakker wordt is ze niet meer in het huis van haar baas, maar in het kantoor voor gastarbeiders in Jizan. Volgens Husein, een Indonesische werknemer van het kantoor, is ze naar het ziekenhuis gebracht. Men zegt dat ze volledig uitgeput is en totale rust moet nemen. Maar ze wordt niet verzorgd in het ziekenhuis. Haar baas had haar teruggebracht naar het kantoor. Zodra ze is hersteld, mag ze weer aan het werk.

Husein, die Marsuni een week lang helpt en ondersteunt, adviseert haar terug te gaan naar huis, naar Indonesië. Helemaal wanneer hij hoort dat ze pas 19 is, en geen 25 zoals in het dossier staat. Het blijkt dat Marsuni, om in Saoedi-Arabië aan de slag te kunnen, met behulp van de tussenpersoon haar leeftijd heeft vervalst. Hoewel ze zich wel zal schamen om zo snel weer terug te komen, stemt ze in met Huseins advies. Maar aangezien ze pas 15 dagen heeft gewerkt en zo snel weer terugkomt, zal de tussenpersoon in Jakarta niet blij zijn en een schadevergoeding eisen voor de kosten van onder andere het ticket, het visum en de training, in totaal zo’n 17 miljoen rupiah. Gelukkig is dat volgens Husein slechts bluf, een dreigement. En dus adviseert hij Marsuni te zeggen dat ze “bereid is 17 miljoen rupiah (circa 1.136 euro) te betalen.” Dat is tot nu toe toch slechts een loos dreigement gebleken.

En inderdaad, na tien dagen uitgerust te hebben, wordt Marsuni op een dag geroepen door de baas van het kantoor in Jizan. Nadat ze is gaan zitten krijgt ze plotseling een telefoon in haar hand gedrukt. Kennelijk is het kantoor in Jakarta aan de andere kant van de lijn. Zoals verwacht zijn ze boos en vragen Marsuni om niet terug te komen, maar weer aan de slag te gaan. Marsuni houdt voet bij stuk. Wanneer ze dreigen dat Marsuni 17 miljoen moet betalen, zegt ze, zoals haar was geleerd, met overtuiging ‘Ik ben bereid te betalen’. De persoon aan de andere kant van de lijn beëindigt het gesprek. Marsuni geeft de telefoon aan de baas van het kantoor die vlak bij haar staat. Totaal onverwacht legt de forsgebouwde man de telefoon niet neer, maar pakt het toestel en slaat hiermee tegen Marsuni’s hoofd.

Marsuni valt voorover op de grond en huilt van de pijn. Nog een keer wordt ze geslagen met het telefoontoestel. De man schopt Marsuni en scheldt haar uit. Hij spuugt haar meerdere malen in haar gezicht en op haar hoofd terwijl ze op de grond ligt. Pas nadat de Arabier er genoeg van heeft, gaat hij weg.

De hele nacht kan Marsuni alleen maar huilen, vol van spijt en verdriet over wat haar is overkomen. Een aantal andere gastarbeiders die ook op het kantoor zijn, proberen haar op te beuren. Volgens deze vrouwen heeft ze nog geluk dat ze maar twee keer met een telefoon geslagen en bespuugd is. Sommigen van hen zijn bont en blauw geslagen met een stuk hout, met water overgoten en in de badkamer opgesloten. Die nacht hoort zij hoe de vrouwen elkaar hun trieste ervaringen vertellen.

Twee dagen later staat het geluk aan Marsuni’s zijde. Haar baas heeft er kennelijk mee ingestemd dat ze naar huis gaat en heeft haar een vliegticket gegeven. Opnieuw stromen de tranen over haar wangen, kijkend naar het ticket in haar handen. Maar dit keer zijn het tranen van geluk, omdat ze eindelijk naar huis kan, naar haar vaderland en naar de mensen die van haar houden, ook al zijn ze arm.

Marsuni’s droom om lekker te kunnen eten en een eigen huis te hebben is niet uitgekomen na haar terugkeer uit Saoedi-Arabië. Dertig dagen in het buitenland hebben haar nog geen cent opgeleverd. In haar dorp heeft ze zelfs nog een schuld van 3 miljoen rupiah bij haar buren. Maar ze zegt opgelucht te zijn.

“Ik ben bij thuiskomst tenminste nog in leven.”